OPEN PLEKKEN EN OLIFANTENPLAADJES / EMPTY SPACES AND ELEPHANT TRAILS

04-05-2023 | ZOOP observaties voor het Nieuwe Instituut door Frank Bruggeman i.s.m. Peter Zwaal

NL

OPEN PLEKKEN EN OLIFANTENPLAADJES

 

Lege plekken in een tuin blijven doorgaans niet lang leeg. De natuur zorgt er zelf wel voor dat die plekken met planten worden opgevuld. Alleen zijn die planten vaak meer van hetzelfde en de vraag is of dat wenselijk is. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit en attractiviteit zal het antwoord op die vraag nee luiden. Wie voor de meest robuuste tuin mogelijk gaat, zal voor het laissez faire standpunt kiezen. In de Nieuwe Tuin is het een beetje schipperen tussen beide uitersten. In principe wordt de natuur de vrije hand gelaten maar als bepaalde soorten erg gaan woekeren wordt ingegrepen. Zo zijn de afgelopen weken enkele plekken in de Nieuwe Tuin ontdaan van brandnetel en akkerdistel, twee stikstofminnende planten die een sterke opmars vertonen in vergelijking met vorig jaar. Ook is het nodige groot hoefblad uitgestoken om te voorkomen dat deze soort zich uitbreidt naar de plantvakken aan de Jongkindstraat. Die plantvakken, aangelegd op enkele voormalige parkeerplaatsen en halverwege maart ingeplant, hebben een ondergrond die matig tot slecht doorwatert. Daardoor lagen de plantvakken er in de relatief natte aprilmaand vaak drassig bij. Groot hoefblad houdt daar wel wel van dus vond ik het verstandig om een open bufferzone te creëren die de aanplant in de plantvakken beschermt tegen het opdringerige hoefblad. Helemaal op de hoek van de Nieuwe Tuin, tussen het informatiebord en de slagboom, lag een nog braakliggend puntje land. Op de plantjesdag van een volkstuinvereniging in Blijdorp en bij een biologische kwekerij in Boskoop heb ik diverse vaste planten gekocht voor dit stukje tuin, waaronder lievevrouwebedstro (Galium odoratum), blauwe strobloem (Catananche caerulea), smeerwortel (Symphytum grandiflorum), paarse morgenster (Tragopogon porrifolius), gele dovenetel (Lamium galeobdolon) en witte dovenetel (Lamium album). Omdat medewerkers van het Nieuwe Instituut de neiging hebben langs de slagboom van de oprijlaan heen te lopen, waren links en rechts van de slagboom twee olifantenpaadjes ontstaan. Eén van die olifantenpaadjes heb ik afgegrendeld met de aanplant van enkele gaspeldoorns (Ulex europaeus) en egelantiers (Rosa rubiginosa). Hopelijk zullen medewerkers van het Nieuwe Instituut nu uitsluitend nog het andere olifantenpaadje benutten. De toplaag van het stukje tuin tussen slagboom en informatiebord is trouwens tevens ingeharkt met allerlei zaden. Wellicht dat ook hiervan nog het nodige zal ontkiemen. Op een andere open plek in de tuin zijn een vijftal hondsrozen (Rosa canina) geplant. Ook deze ingreep is zowel bedoeld ter verhoging van de soortenrijkdom als ter afgrendeling van een minder gewenst olifantenpaadje. Dat paadje loopt van de driesprong in de tuin naar de zitbanken op de Jongkindstraat. Mijn gevoel zegt me dat de aangeplante hondsrozen een reële kans lopen te worden vertrapt door bezoekers van de Nieuwe Tuin die toch de kortste weg willen nemen naar de betreffende zitbanken. Als slechts een paar van de aangeplante hondsrozen weten stand te houden en tot wasdom komen ben ik echter al gelukkig, omdat die dan het zicht op de zitbanken enigszins zullen ontnemen. Mijn verwachting is dat door die verminderde zichtbaarheid het vliegwiel vanzelf de andere kant zal gaan opdraaien: minder bezoekers zullen het olifantenpaadje kiezen waardoor de hondsrozen alleen maar beter zullen groeien, het zicht op de zitbanken nog meer wordt ingeperkt en het paadje uiteindelijk in onbruik raakt.

 

 

EN

EMPTY SPACES AND ELEPHANT TRIALS

 

Empty spaces in a garden usually do not remain empty for a long time. Nature itself will ensure that those spaces are filled with plants. However, those plants are often more of the same and the question is whether that is desirable. From the point of view of biodiversity and attractiveness, the answer to that question will be no. Those who go for the most robust garden possible will opt for the laissez faire principle. In the New Garden it is a bit of a compromise between the two extremes. In principle, nature is given a free hand, but if certain plant species start to proliferate too much, action is taken. In recent weeks, for example, some spaces in the New Garden have been cleared of nettle and creeping thistle, two nitrogen-loving plants that are showing a strong advance compared to last year. Another intervention was the uprooting of a number of large butterburs, to prevent this species from spreading to the flowerbeds along the Jongkindstraat. These flowerbeds, situated on some former parking places and planted in mid-March, have a poorly drained subsoil. Because of the rainy last few weeks these flowerbeds were often soggy, a circumstance that butterbur likes very much. That is why I decided to create an open buffer zone that protects the new plants in the flowerbeds against the intrusive butterbur.

 

 

At one corner of the New Garden, between the information board and the automatic vehicle barrier, was a small wedge of barren land. At an allotment garden plant sale in Rotterdam Blijdorp and at an organic nursery in Boskoop, I bought various perennials for this empty space. These included sweet woodruff (Galium odoratum), Cupid’s dart (Catananche caerulea), creeping comfrey (Symphytum grandiflorum), purple salsify (Tragopogon porrifolius), yellow archangel (Lamium galeobdolon) and white dead-nettle (Lamium album). Because some employees of the Nieuwe Instituut are used to bypass the vehicle barrier on the driveway on foot or by bicycle, elephant paths have arisen to the left and right of this barrier. I closed off one of those paths by planting some gorse shrubs (Ulex europaeus) and sweetbriar roses (Rosa rubiginosa). Hopefully, employees of the Nieuwe Instituut from now on will only make use of the other elephant path. The top layer of the wedge of garden between the vehicle barrier and the information board has also been raked in with various seeds. Possibly some of these will germinate and further contribute to the garden’s biodiversity. In another empty space of the garden I have planted five dog roses (Rosa canina). This intervention is also intended both to increase biodiversity and to close off a less desirable elephant path. That path runs from the Y junction in the garden to the benches on the Jongkindstraat. Of course some of the planted dog roses run a real risk of being trampled by visitors to the New Garden who still want to take the shortcut to the benches. But if a few of the dog roses manage to survive and start growing, I am very happy. For these growing dog roses will somewhat obscure the view of the benches. I expect that this reduced visibility will automatically turn the flywheel in the other direction: fewer visitors will choose the elephant path, so that the dog roses will only grow better, the view of the benches will be even more obscured and the path will eventually fall into disuse.