GARDEN FUTURES NIEUWE INSTITUUT, ROTTERDAM, 2024 - 2025

 

 

 

GARDEN FUTURES

 

Location: Nieuwe Instituut, Rotterdam

Exhibition: Tuinen van de Toekomst / Garden Futures

Date: November 16, 2024 – April 13, 2025

Role: Exhibition design and co-curator

 


 

NL
 
In de tentoonstelling Garden Futures, een coproductie van het Vitra Design Museum (Weil am Rhein) en het Nieuwe Instituut (Rotterdam), worden uiteenlopende ideeën en opvattingen over de tuin belicht. Die ideeën en opvattingen uit heden en verleden staan uiteraard niet op zichzelf. De tuin is een microkosmos waarin allerlei maatschappelijke en culturele waarden tot uitdrukking komen. Vormgeving en inrichting van de tuin reflecteren de heersende ideeën over sociale verhoudingen en rechtvaardigheid, autonomie en gemeenschapszin, milieu en klimaat.

EN
 
The exhibition Garden Futures, a coproduction of Vitra Design Museum (Weil am Rhein) and Nieuwe Instituut (Rotterdam), highlights a multitude of ideas from past and present on the garden. These ideas and perspectives are, of course, not isolated. The garden has always been a microcosm in which all sorts of social and cultural values ​​are expressed. Garden designs reflect prevailing ideas about social relations and justice, privacy and community, environment and climate.

 


 

 

 

 

 

 


 

 
Garden Futures is een reizende tentoonstelling, die eerst in het Vitra Design Museum te zien was, vervolgens neerstreek in het Design Museum Helsinki en nu onderdak heeft gevonden in het Nieuwe Instituut. De tentoonstelling valt uiteen in vier secties, elk bestaande uit meerdere kabinetten en wandpanelen waarin een aantal afgebakende onderwerpen wordt belicht. De in opdracht van Vitra door het Italiaanse designbureau Formafantasma ontworpen kabinetten en wandpanelen zijn zowel in Helsinki als Rotterdam integraal overgenomen, al is er op beide laatstgenoemde locaties, met het oog op de aldaar beschikbare ruimten, wel het nodige aan de indeling en opstelling gesleuteld. Ook is zowel in het Design Museum Helsinki als het Nieuwe Instituut aan sommige onderwerpen een eigen, meer specifiek Finse of Nederlandse invulling gegeven.
 
Voor het Nieuwe Instituut heeft ontwerper, beeldend kunstenaar Ún tuinman Frank Bruggeman zich over beide opgaven gebogen. Dat wil zeggen dat hij de kabinetten en wandpanelen van Vitra zodanig heeft herschikt dat de tentoonstelling optimaal tot zijn recht komt in de grote zaal het Nieuwe Instituut. Geen eenvoudige opgave want de tentoonstelling bij Vitra in Weil am Rhein was verdeeld over een viertal zalen terwijl de zaal van het Nieuwe Instituut een reusachtige, min of meer vierkante doos is met één raamzijde. Dit resulteerde in een half open opstelling die als vier tuinkamers kunnen worden opgevat en ook visueel met elkaar in verbinding staan door middel van doorkijkjes. Waar mogelijk is ook echte gedroogde natuur toegevoegd om lost te komen van het idee van een display tentoonstelling. Parallel aan deze lastige puzzel heeft Bruggeman zich ook over de inhoud van enkele kabinetten gebogen en daar een Nederlandse invulling aan gegeven.
 
Wat betreft de in- en aanpassing van het tentoonstellingsontwerp is Bruggemans hand vooral zichtbaar in de sectie waarmee de tentoonstelling opent. Die sectie bestaat uit een videopresentatie van historisch beeldmateriaal waarin uiteengezet wordt wat al eeuwenlang de essentie is van de tuin, te weten een afgezonderd paradijsje waarover de mens de regie voert. Buiten deze hortus conclusus regeren natuurwetten en was ook lang sprake van wildernis. Bruggeman heeft deze videopresentatie geplaatst in een ruimte die oogt als een met schuttingen omheinde tuin van een rijtjeshuis. Daarmee wordt onderstreept dat het paradigma van de hortus conclusus bepaald nog niet heeft afgedaan. De schuttingen zijn door Bruggeman eigenhandig bevlochten met grillige wilgentenen – deels afkomstig uit de tuin van het Nieuwe Instituut – waardoor bezoekers toch ook een gevoel van opdringende wildernis ervaren.

 
Garden Futures is a traveling exhibition, first on display at the Vitra Design Museum, subsequently at the Design Museum Helsinki and now at the Nieuwe Instituut. The exhibition is divided into four sections, each consisting of multiple cabinets and wall panels addressing a number of distinct themes. The cabinets and wall panels, commissioned by Vitra and designed by the Italian design firm Formafantasma, have been reused in their entirety in both Helsinki and Rotterdam, although significant rearrangements were necessary at these locations to accommodate the available space. Furthermore, some themes have been given their own, more specifically Finnish or Dutch angle at both the Design Museum Helsinki and the Nieuwe Instituut.
 
On behalf of the Nieuwe Instituut, both modifying challenges have been tackled by designer, visual artist, and gardener Frank Bruggeman. He has meticulously rearranged the exhibition cabinets and wall panels to fit into the large ground floor gallery of the Nieuwe Instituut. This was no easy task, as the exhibition at Vitra in Weil am Rhein was divided over four rooms, while the large ground floor gallery of the Nieuwe Instituut is a more or less square box with a single window wall. While it might seem that this accommodation offers almost unlimited possibilities to shuffle cabinets and panels around, this is by no means the case. By lack of a straightforward routing (where one room’s exit is the entrance to the next) visitors can easily lose track in a large gallery. Parallel to this rearrangement puzzle, Bruggeman has slightly modified the contents of several cabinets and given them a Dutch angle.
 
Regarding the exhibition design, Bruggeman’s influence is most evident in the opening section. This section consists of a video presentation of historical footage explaining what for centuries has been the essence of the garden: a secluded paradise entirely shaped by humans. Outside of this hortus conclusus, the laws of nature reign, and wilderness has long been omnipresent. Bruggeman has placed this video presentation in a space that resembles the fenced garden of a terraced house, thereby emphasizing that the paradigm of the hortus conclusus is by no means obsolete. Bruggeman has personally woven the fences with pruned willow branches – some of which came from the garden of the New Institute – so that visitors also experience a sense of intrusive wilderness.

 

 


 

 

 
Bij de sectie Garden Helpers is o.a. een reclameaffiche uit 1960 voor kunstmest van het Zwitserse bedrijf Lonza vervangen door een poster uit 1974 voor kunstmest van de Nederlandse producent ASEF. Aan de presentatie over tuingereedschappen is een item toegevoegd over Hendrik Jan de Tuinman, een paraplumerk en shop-in-shop-concept dat door het groothandelsbedrijf Reesink was bedacht om allerlei geĂŻmporteerde tuingereedschappen aan de Nederlandse consument te slijten.
 
At the section Garden Helpers some adjustments were made. For example, a 1960 advertising poster from the Swiss fertilizer producer Lonza has been replaced by a 1974 poster from the Dutch fertilizer company ASEF. The presentation of garden tools has been supplemented by an item about Hendrik Jan de Tuinman, a shop-in-shop concept and umbrella brand devised by the wholesale company Reesink to sell various imported garden tools to Dutch consumers.

 
.

 


 

 

 

 

 

 
Bij de sectie Casestudies heeft Bruggeman het paneel over tuinontwerper Piet Oudolf meer achtergrond gegeven door hier de geschiedenis van de ‘Dutch wave’ aan toe te voegen. Naast Piet Oudolf behoorde hier ook Henk Gerritsen (Priona-tuinen in Schuinesloot) en Rob Leopold (kwekerij De Cruydt-hoeck in Nijeberkoop) toe. De Cruydt-hoeck is in Nederland nog steeds toonaangevend in het aanbod van inheemse zaden.
 
In the Case Studies section, Bruggeman provided additional background to the panel on garden designer Piet Oudolf by including the history of the “Dutch Wave.” In addition to Oudolf, this movement also included Henk Gerritsen (Priona Gardens in Schuinesloot) and Rob Leopold (De Cruydt-Hoeck nursery in Nijeberkoop). De Cruydt-Hoeck remains a leading supplier of native seeds in the Netherlands.

 

 

 


 

 

 

 

 

Case Studie: Rotterdam, a Planetary Garden

 

 


 

 

 
Aan de tentoonstelling heeft Bruggeman een onderdeel toegevoegd dat bestaat uit een presentatie van een aantal vernieuwende Rotterdamse tuinprojecten. De projecten die Bruggeman voor deze stellingkastpresentatie heeft geselecteerd betreffen zonder uitzondering openbare parken en tuinen: Buurttuin Ommoord, Getijdenpark Brienenoord, de tuin van het Nieuwe Instituut en het toekomstige Hofbogenpark. Daarmee wordt dus in zekere zin afstand genomen van de hortus conclusus gedachte en aangesloten bij het gedachtegoed van de Franse landschapsarchitect Gilles Clément. Diens concept van de jardin planétaire is gekozen als leidraad voor de laatste sectie van de tentoonstelling. Clément pleit ervoor de hele wereld als tuin te zien en burgers op alle denkbare niveaus (buurt, wijk, gemeente, regio) te mobiliseren bij het ontwerpen, aanleggen en onderhouden van dit publiek toegankelijke ecosysteem.
 
Van de vier gepresenteerde Rotterdamse tuinen is die van het Nieuwe Instituut het meest diepgaand gedocumenteerd. Niet onlogisch want Bruggeman is één van de ontwerpers van deze tuin en is ook nauw betrokken bij het onderhoud. Ten behoeve van de tentoonstelling heeft Bruggeman een scheurblokvel op A3 formaat gemaakt dat bezoekers van de tuin langs de markantste punten in de tuin leidt.
 
Rest de vraag of de open tuin het uiteindelijk van de gesloten tuin zal winnen. Bruggeman is wat dit betreft realistisch. “Zolang mensen zich eigen voorstellingen maken van het paradijs zullen ze ook een eigen stempel op hun voor- en achtertuintje willen drukken. Ook al is dat stempel meestal niet bijster origineel en in Nederland grotendeels bepaald door het aanbod van de Intratuin. Aan de andere kant zorgen verstedelijking en stedelijke verdichting ervoor dat de open tuin aan een gestage opmars bezig is. Waar weinig ruimte overblijft voor particuliere paradijsjes, zullen stadsbewoners het met publiek toegankelijk groen moeten doen. Beide paradigma’s zullen dus in de 21e eeuw naast elkaar bestaan maar de open tuin zal dominanter worden.”

 
To the exhibition Bruggeman has added a section, showcasing several innovative garden projects from Rotterdam. The projects Bruggeman selected for this presentation unit are all public parks and gardens: Ommoord Community Garden, Brienenoord Tidal Park, the garden of the Nieuwe Instituut, and the future Hofbogenpark. This selection obviously does not reflect the concept of the hortus conclusus and is more in line with the ideas of French landscape architect Gilles Clément. His concept of the jardin planetétaire was chosen as the guiding principle for the final section of the exhibition. Clément sees the entire planet as a garden and wants citizens at all possible levels (neighborhood, district, municipality, region) to participate in designing, constructing, and maintaining this publicly accessible ecosystem.
 
Of the four Rotterdam projects presented, the garden of the Nieuwe Instituut is the most thoroughly documented. This is not surprising, as Bruggeman is not only one of the designers of this garden but also closely involved in its maintenance. For the exhibition an A3 tear-off sheet has been made, guiding visitors through the most striking features of the garden.
 
What remains is the question whether the open garden will ultimately triumph over the enclosed garden. Bruggeman is realistic in this regard. “As long as people have their own particular vision of paradise, they will also want to put a particular stamp on their own garden. Even if that stamp is usually anything but original and often reflecting what is on offer by large garden centers, such as market leader Intratuin in the Netherlands. On the other hand, urbanization and urban densification will benefit the open garden. Where little space remains for private paradises, city residents will have to make do with publicly accessible green spaces. Both paradigms will therefore coexist in the 21st century, but the open garden will certainly become more dominant.”

 


 

 

 

 

 

Roberto Burle Marx: Drawings and a display case of glass with native plants from Brazil

 


 

 

 

Case Studies: Mien Ruys, Piet Oudolf and Derek Jarman